AMOS 9
Exegese
Inleiding
Het laatste hoofdstuk van het boek Amos is een afsluitende rede.
Daarin wordt in universele termen over het toekomstige lot van Israël
en Juda geprofeteerd. De profeet Amos spreek heel duidelijke taal,
vooral op het punt van de Eindtijd. In slechts enkele verzen zet
hij in krachtige bewoordingen het toekomstige Messiaanse Rijk en
zijn zegeningen neer.
Het vijfde visioen
Amos 9 opent met het vijfde en laatste visioen in de reeks van vijf
(Zie: Inleiding Amos 7). Het vierde visioen maakte duidelijk dat
de tijd van het Goddelijk oordeel rijp was en God zijn handen aftrekt
van Israël en Juda. Dat leidde allereerst tot de ondergang
van Israël (het Tienstammenrijk), enige tientallen jaren later.
Ook het Tweestammenrijk, Juda, valt onder dit goddelijke oordeel,
maar het wordt nog enige tijd gespaard. Dat was echter geen afstel,
maar uitstel, die het dankzij de godvruchtige koningen Hizkia en
Josia van God verkreeg.
(Voor een verdere uitleg: Kanttekeningen 3B en Amos 8, Exegese, Inleiding).
Het vijfde visioen spreekt over de uitvoering van het goddelijke
oordeel over Israël en Juda. Daarin worden bikkelharde termen
gebruikt, die de verterende woede van God onbarmhartig onder woorden
brengt. Ook spreekt Amos niet meer over mijn (= Gods) volk, als in
Amos 7:8 en 8:2. Israël wordt van nu als een heidens volk gezien;
als het volk van de Cushieten (vers 7).
De verschrikkelijke woede van God
Amos 9 kenmerkt zich door een grote tegenstelling tussen het eerste
en laatste deel van dit hoofdstuk. Het begint met de beschrijving
van de woede van God over de ontrouw van Israël. Het eindigt
met heilvolle beloften, van diezelfde God èn gericht op
hetzelfde volk, waarover het oordeel wordt uitgesproken. Die profetieën
zijn tot op de huidige dag niet vervuld.
Een God van Wraak
In het eerste deel toont de Almachtige zich een God, die geen spoortje
medelijden meer toont met het verschrikkelijk lot dat zijn volk
wacht. Die de ziedende toorn van zijn rechtvaardige woede de vrije
loop laat. Dat is een beeld, dat we niet graag zien. Want christenen
hebben nogal eens moeite met een wraakzuchtige God. En als men
daar in het Oude Testament niet omheen kan, wordt gewoonlijk gesteld
dat de God van het Nieuwe Testament anders is. Dat schept de tegenstelling
wraakzuchtig en liefhebbend, alsof er twee verschillende goden
bestaan.
We kunnen de Almachtige echter niet modelleren naar onze smaak.
Hij is een God van liefde, zeker wel, meer dan we ons zelfs kunnen
voorstellen.
Hij is echter ook een God van wraak. Daarin spreekt het Nieuwe Testament
niet anders dan het Oude. Hebreeën
10:31 doet daarover een duidelijke uitspraak:
Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God!
Toch zien wij in onze tijd geen lik-op-stukbeleid meer, zoals we
dat op veel plaatsen in het Oude Testament vinden. Populair gezegd:
God straft niet meer direct, tenzij in bijzondere gevallen. Dat heeft
echter niets met een veranderde God te maken. Die directheid in daden
was namelijk een onverbrekelijk onderdeel van zijn verbondsrelatie
met Israël en het land Kanaän. Dat was Zijn volk en Zijn
land. Daarover regeerde de Almachtige zelf, dus deden zijn regeringsdaden
zich direct gelden in de samenleving, ten goede, maar ook ten kwade.
Wij, echter, leven in het tijdperk der heidenen en van de Gemeente
van
Christus. Dat is de bedeling van de genade, zoals Romeinen 6:14
zo duidelijk zegt:
Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.
Die genade is toegankelijk voor iedereen. In die context is geen
sprake meer van directe bemoeienis van God door het zenden van grote
gerichten, behalve wellicht in extreme gevallen. Voor ons geldt Mattheüs
5:45
Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen,
opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is;
want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het
regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Er is geen enkele twijfel over dat God van het volk Israël
hield en nog houdt. Zijn rechtvaardigheid vereiste echter dat Israël
gestraft zou worden voor de zware zonden die het bedreven had. Die
straf wordt keer op keer verzacht of uitgesteld. Niet omdat het volk
Israël dat vroeg, of dit afdwong, maar ter wille van de heiligheid
van Gods naam. Want de ondergang van Gods volk zou zich voor de ogen
van de heidenvolken voltrekken. Dat blameerde, in hun ogen, ook de
God van Israël, dus werd de heiligheid van Gods naam aldus aangetast.
Daarom werd de straf, die het volk zeker verdiende, steeds weer uitgesteld
tot deze niet langer uit te stellen was.
Je zou dus kunnen zeggen, dat de ‘pijn van God’ over
de zonde van Israël, de pijn van de aantasting van zijn Naam
overtroffen had. Dat noemen we een onmogelijke keus: kiezen tussen
slecht en slechter. Dat stelt de woede (en het verdriet!) van God
over de zondeval van Israël in een helder daglicht.
De Handtekening van God
Het vijfde visioen wordt afgesloten met een lied op de almacht van
Jahweh (vers 5 en 6). Het is alsof Hij de profetie aldus met Zijn
handtekening bezegeld. Daaraan gekoppeld volgen dan de verzen 7-9,
waarin God nog een samenvattende toelichting geeft op het komende
oordeel over Israël.
Alle zondaren zullen sterven
In vers 10 vinden we een ogenschijnlijk geïsoleerde mededeling.
Want vers 9 – daarvóór – wekt toch duidelijk
de indruk dat een perikoop wordt afgesloten. En met vers 11 beginnen
de heilsprofetieën, die pas in de Eindtijd hun vervulling krijgen.
Daartussen gaapt een enorm gat in de tijd, die heden al meer dan
27 eeuwen telt. Vers 10 dient echter als overgang tussen het komende
oordeel (en de eeuwen na Amos) en de heilstijd (de verre toekomst).
Het is dan ook geen profetie die aan Israël als geheel gericht
is, maar tot individuen.
Vers 10 vormt, in feite, de introductie tot de heilsbeloften van
vers 11-15 en bevat de bindende voorwaarde, waaronder het volk Israël
dat gezegende rijk mag binnengaan. Zondaren zullen dat rijk niet
mogen betreden.
Heilsprofetie
Na zoveel sombere profetie is het een verademing om Amos 9:11-15
te lezen. Want het
laatste deel van Amos 9 schetst een fantastische toekomst voor het
volk Israël. Dat is een bekend thema in de Bijbel. De meeste
profeten spreken daarover; sommigen zelfs zeer gedetailleerd, zoals
Hosea, Jesaja, Ezechiël en Zacharia.
Maar, dat heil is niet voor het gehele volk Israël weggelegd.
Alleen zij die zich bekeren mogen dat heil genieten. Amos spreekt
in dat kader van het herstel van de vervallen hut van David. Het
zal duidelijk zijn, dat koning David zelf niet bedoeld wordt, maar
zijn dynastie. Dat herstel van het koningschap is gekoppeld aan de
komst van de Messias, de tweede Adam en aan de stichting van het
Messiaanse Rijk.
In slechts weinig verzen wordt de terugkeer van Juda en Israël
naar Kanaän voorzegt. Ook spreekt de profetie over uitbundige
vruchtbaarheid van het land, die de Hof van Eden in herinnering brengt
(Genesis 2 en 3).
Onvervulde profetie
Het boek Amos eindigt met een goddelijke eed, dat het volk Israël
nooit meer bedreigd zal worden en dat het Heilige land voor altijd
hun bezit zal zijn. Daarin worden termen en omschrijvingen gebruikt
die heel duidelijk zijn:
- Ik zal de vervallen hut van David weder oprichten (vers 11a):
God belooft dat het koninkrijk Israël, zoals dat eens onder
koning David en Salomo werd gevestigd, weer hersteld zal worden.
Dat is onvervulde profetie; dat gaat nog gebeuren!
- Vers 13: Er
komt een tijdperk, waarin de uitbundige vruchtbaarheid van het
land, zoals eens in de Hof van Eden, zal terugkeren.
Dat is onvervulde profetie; dat gaat nog gebeuren!
- Vers 14 spreekt
over een toekomstige toestand van volkomen veiligheid en grote
welvaart voor het volk Israël.
Dat is onvervulde profetie; dat gaat nog gebeuren!
- Ja Ik zal
hen planten in hun eigen land. Dan zullen zij nooit weer uit hun
eigen land gerukt worden, dat Ik hen gaf, zo spreekt
Jahweh, uw God (vers 15):
Nooit zal het volk Israël het land Kanaän weer moeten opgeven;
ze zullen veilig wonen.
Ook dat is onvervulde profetie; dat gaat nog gebeuren!
Lees wat er staat!
Indien we de profetie op z’n woordelijke betekenis voor waar
aannemen, is het niet moeilijk die te verklaren. Er komt nog een
tijd, waarin het volk Israël een periode van grote zegeningen
zal ingaan. Dat is het tijdperk van het Messiaanse rijk!
Toch zijn er – zelfs vandaag nog – bijbelgetrouwe christenen,
die deze profetieën niet gehoorzamen. Nog vreemder is het, dat
zij de beloften die de Almachtige aan Israël
heeft gegeven, achteloos van Gods volk afnemen en overzetten op de
kerk.
Dat is geen bewuste vorm van ongehoorzaamheid aan de Heilige Schrift.
Maar een bedekking die er, door eeuwenlange conditionering, vanuit
de kerkelijke traditie is ingeslepen. Zij die zo denken, verklaren
de profetie allegorisch. Zo wordt de band met de letterlijk betekenis
van het geschreven Woord doorgesneden en kan elke bijbeltekst van
een eigenmachtige uitleg voorzien worden.
Altijd weer brengt dit fenomeen me tot grote (en trieste) verbazing.
Het staat toch zo duidelijk in de Bijbel en… niet éénmaal,
maar vele malen. Met de afwijzing van de Messiaanse toekomst voor
Israël doen veel christenen zichzelf bovendien ernstig tekort.
Want, holt die uitleg van de profetie het vertrouwen in God niet
ernstig uit? Wat zijn Gods beloften nog waard, als ze zo maar van
het volk Israël afgenomen kunnen worden en op de kerk mogen
worden overgezet? Wat is Genesis 17:8 * nog waard, als die belofte
aan een ander toevalt?
* N.B.V.: Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling
woont, zal
ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven.
Bronnen:
(Excurs 13 / Kanttekeningen 3A / Motyer, pagina 205 / Smith, pagina
351-354 en 356 /
Weerd, De Profeet Ezechiël, Hoofdstuk 20, Exegese)
Vers 1a
Ik zag dat de Heer zich opstelde boven het altaar.
De profeet Amos krijgt een vijfde visioen en ziet de Heer (of: Heer
over alles) boven het altaar van de tempel in Jeruzalem. Ziet de
profeet God zelf, zoals sommigen stellen? Dat is niet erg waarschijnlijk.
Niemand heeft ooit God gezien; zo zegt Johannes 1:18. En Exodus 33:20
is nog duidelijker: Hij (God) zeide: Gij zult mijn aangezicht
niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven. Als dus sprake
is van een ‘zien van God’, dan moet dat een verschijnsel
zijn die op Zijn aanwezigheid duidt; niet de gestalte van Jahweh
zelf.
Veel Rabbinale commentaren spreken daarom van de manifestatie
van Gods Glorie (Ibn Ezra en Radak). Dat kan bijvoorbeeld de Sjechina
Gods geweest zijn (heerlijkheid des Heren), als in Ezechiël
10 en 11. Ook het gebruik van Heer (een vertaling van het woord ’Adônây
= Heer over alles) geeft dat aan, want Amos gebruikt gewoonlijk Jahweh
als godsnaam. Ogilvie spreekt in dat kader van het respecteren van
de onzichtbaarheid van God.
(Cripps, pagina 255 / Gowan, pagina 421 / Ogilvie, pagina 353 / Rosenberg,
pagina 163) De Sjechina Gods
Sjechina betekent het wonen of verblijvende. De uitdrukking omschrijft
een (verder niet gedefinieerde) aanwezigheid van God. In het boek
Exodus gebeurde dat in de vorm van een wolkkolom overdag en een
vuurzuil ’s nachts, die de Israëlieten tot gids dienden.
Wat Amos beschrijft is dat de Heer (of Soeverein; in de betekenis
Heerser, of Gebieder van het al) in één of andere vorm
verschijnt boven het altaar van de tempel in Jeruzalem. Dat betreft
dus niet God zelf, maar waarschijnlijk de wolk of vuurkolom, zoals
we die ook omschreven vinden in Numeri 9:15-23 en 1 Koningen 8:10.
Vers 1b
Toen sprak Hij: Sla de kapitelen kapot!, opdat de gewelven beven.
God geeft opdracht de tempel te vernietigen. Dat was de plaats waar
Hij woonde. Het is
dus logisch dat Hij, voor dat gebeurt, eerst uit de tempel vertrekt.
Daarmee komt er een einde aan het verblijf van God op deze aarde.
Het vertrek van de Sjechina Gods
(Heerlijkheid des Heren) vinden we in Ezechiël 10 en 11 beschreven. Tot wie spreekt God?
Belangrijke vraag is, tot wie spreekt de Almachtige? Het antwoord
daarop vinden we in
Ezechiël 9, want daar wordt gesproken over de uitvoering van
het oordeel over Jeruzalem en de tempel. Ezechiël spreekt over
zeven verderfengelen *, die Jeruzalem binnen trekken om het oordeel
Gods tot uitvoering te brengen. We geven u de tekst, direct vertaald
uit de grondtekst, omdat anders te veel details verloren gaan.
- Toen
riep Hij uit - in mijn oren klonk het als een luide stem - zeggende:
Breng de bewakers van de stad hier! Ieder met zijn eigen vernietigingswapen
in zijn hand.
- En ziet daar! Zes mannen kwamen uit de richting van de hoge
poort die op het noorden uitziet en ieder had een dodelijk wapen
in zijn hand. Tegelijkertijd
kwam een man die met linnen bekleed was en schrijfgerij met een boekrol aan
zijn beide zijden had. En zij kwamen naar binnen en stonden stil naast het
bronzen altaar.
- Toen steeg de glorie van de God van Israël op van
boven elke cherub, waar hij zich boven bevond, naar de dorpel
van de tempel.
Daarop riep Hij
tot de man bekleed met linnen die schrijfgerij met de boekrol aan zijn
beide zijden
droeg.
- En Hij, Jahweh, zeide tot hem: Ga door het midden van de stad,
ja, door het midden van Jeruzalem! Plaats dan een teken op de
voorhoofden
van de
mannen die treuren en weeklagen over al die afschuwelijke dingen die
in haar midden
zijn bedreven.
- En tot diegenen sprak Hij - zo klonk het in mijn oren -:
Sluit u achter hem aan door de stad en dood! Laat uw oog geen medelijden
tonen, noch zult
u mededogen
laten zien.
- U zult zowel oude man, jongeling, als jong meisje, maar
ook kind en vrouw doden. Echter, een ieder van degene die het
teken draagt zult gij
niet
aanraken. Voorts zult u bij mijn heiligdom beginnen. Aldus begonnen zij
met de mannen
(de oudsten) die zich vóór de tempel bevonden.
- Toen sprak
Hij: Verontreinig de tempel! Vul dan de hoven met gedoden! Ga nu! Dus
gingen zij en zij doodden overal in de stad.
- Het geschiedde nu, terwijl
zij aan het doden waren dat ik alleen gelaten werd. Toen viel
ik op mijn aangezicht en schreeuwde het uit
en ik sprak:
Ach, Soeverein Jahweh, gaat u nu heel het overblijfsel van Israël
vernietigen met het uitstorten van uw wraak op Jeruzalem?
- En Hij
antwoordde tot mij: De zonde van het huis van Israël en Juda
die groot was is tot uitzonderlijke hoogte gestegen. Ja, het land
is vol van bloedvergieten en de stad is gevuld met onrechtvaardigheid.
(Weerd, De Profeet Ezechiël, deel 1, pagina 218-222)
Het vertrek van de Sjechina Gods (Heerlijkheid des
Heren) vormt het dieptepunt in de
reeks oordelen over Israël en Juda. Zijn aanwezigheid in de
tempel was essentieel voor de instandhouding van het Sinaïtische
verbond. Met Zijn vertrek worden de laatste banden doorgesneden.
In Ezechiël 9:9 staat (ten overvloede) geschreven, dat de profetie
zowel Israël als Juda betreft. Op dat moment was het al 136
jaar geleden, dat het Tienstammenrijk was ondergegaan. Uit Ezechiël
9 blijkt dus eens te meer, dat de Raad Gods een constante factor
is, want Amos spreekt op dit punt dezelfde boodschap. Dat een deel
van de oordeelsprofetie ten tijde van Ezechiël reeds vervuld
was, doet daar niets vanaf.
De breuk in het Sinaïtische verbond betreft alle stammen; dus
zowel Israël als Juda. De uitvoering van dat oordeel begon in
735 v. Chr., met de Syro-Efraïmitische oorlog en werd, wat Israël
betreft, afgesloten met de verwoesting van de hoofdstad Samaria in
722 v.Chr. De periode van oordeel eindigde in 587 v. Chr., met de
ondergang van Juda , de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. Heel
dat tijdperk – een periode van 148 jaar – valt dus onder
de noemer ‘het oordeel over Israël en Juda’. Vers 1c
Laat ze instorten op ieders hoofd.
In Ezechiël 22:31 (Grondtekst) staat een soortgelijke profetie.
Die luidt aldus:
Daarom zal Ik mijn wraak op hen uitstorten. Ik zal
hen verteren met het vuur van mijn toorn en Ik zal hun daden op hun
eigen hoofden
doen neerkomen, zo spreekt de Soeverein Jahweh.
Toen de tempel in Jeruzalem instortte, werden daardoor mensen gedood,
dat ligt voor de hand. Sommigen zien daarin de vervulling van Amos
9:1b. Maar, dat is een uitleg die niet aannemelijk is. De profetie
ziet veel verder en spreekt ten diepste over de schuldvraag. Over
de zware zonden in Israël en Juda, die aanleiding waren voor
het vertrek van de Sjechina Gods uit- en de verwoesting van de tempel.
Die schuld komt op ieders hoofd neer; dat wil zeggen wordt verhaald
op het gehele volk Israël. Een vreselijke uitspraak die in de
geschiedenis van de eeuwen daarna keer op keer bewaarheid werd. Want
er bestaat geen volk op aarde dat zo veel geleden heeft als het volk
Israël. De Holocaust, nog maar zo’n 60 jaar geleden, was één
van de vele trieste dieptepunten in hun geschiedenis.
(Weerd, De Profeet Ezechiël, Deel I, pagina 609) Vers 1d
Daarna zal Ik hen die overblijven met het zwaard doden. Geen van
hen die zal vluchten, zal ontkomen en geen vluchteling zal zich
redden.
Vers 1 wekt de indruk, dat alle Israëlieten uitgeroeid werden.
Dat is niet zo. De tekst spreekt over hen die de verwoesting van
de tempel overleven (Hammershaimb; e.a.). Dat zijn allereerst allen,
die op het terrein van de tempel verbleven. Maar, wellicht strekt
deze profetie zich uit tot alle bewoners van Jeruzalem. Dat is ook
mogelijk. Ezechiël 9:1-9 geeft daar sterke aanwijzingen voor.
(Driver, pagina 221 / Hammershaimb, pagina 131 / Jeremias, pagina
157)
Kanttekeningen 9A: Welk Altaar?
Belangrijke vraag is: over welk altaar spreekt Amos 9 in vers 1?
Een altaar dat in de
heiligdommen van Bethel of Dan stond, of het brandofferaltaar in
de tempel van God, te Jeruzalem? De meeste exegeten kiezen voor Bethel.
Anderen maken geen keuze, maar laten het open *. Zo zegt Cripps:
In werkelijkheid kan het altaar in vrijwel elk heiligdom van
beide koninkrijken staan. Slechts enkele exegeten en bijbelgeleerden
kiezen voor Jeruzalem, of zelfs voor beide (Jeremias).
Rabbinale bronnen zijn duidelijker. Daar houden de meeste exegeten
het voor onmogelijk dat God (bedoeld word de Sjechina Gods of Heerlijkheid
des Heren) op een afgodisch altaar zou rusten, of zich daar zou bevinden
(Zie ook: Excurs 8). De rabbi’s wijzen dus de tempel in Jeruzalem
aan.
De argumenten
Er zijn nauwelijks harde argumenten te vinden die pleiten voor een
keuze van de heiligdommen van Dan of Bethel als de plaats van het
altaar. Alles wijst op de tempel in Jeruzalem en wel om de volgende
redenen:
- Het woord altaar gaat in het Hebreeuws vergezeld van een bepalend
lidwoord. Dat heeft een zwaardere lading dan het woordje het bij ons. We kunnen ook spreken van hèt altaar, of het
hoofdaltaar.
Dat wijst onmiskenbaar op het altaar van de tempel in Jeruzalem.
- Amos spreekt in hoofdstuk 9 in universele termen tot het gehele
volk Israël. Dat blijkt niet alleen uit vers 7 (Bracht Ik
Israël
niet op uit Egypte?), maar ook uit vers 8 (Toch zal Ik het
huis van Jakob niet geheel en al vernietigen). In beide gevallen wordt geheel
Gods volk bedoeld, dat is wel duidelijk. Als dan gesproken wordt
van het altaar (met bepalend lidwoord), dan is het logisch om dan
aan de tempel in Jeruzalem te denken.
- De heilsbeloften van Amos
9:11-15 betreffen onmiskenbaar het gehele volk Israël, want
we vinden soortgelijke profetieën
ook in Hosea, Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Zacharia. Amos trad
op in het Tienstammenrijk, evenals Hosea. Jesaja en Jeremia in Juda.
Ezechiël en Zacharia in Babylonië, toen het Tienstammenrijk
al lang ten onder was gegaan. Toch vertonen de heilsbeloften grote
overeenkomsten, dus zijn de heilsprofetieën van Amos ook tot
het gehele volk gericht. De tempel en het altaar van dat volk stonden
in Jeruzalem.
- Belangrijk is ook, dat de vernietiging van de heiligdommen
van Dan en Bethel niet samenviel met de oordelen over het Tienstammenrijk.
Want na de ondergang van het Tienstammenrijk werd de afgodendienst
aan de stierkalveren voortgezet. Pas vele jaren later, onder koning
Josia, werd de zuidelijke priesterstad Bethel verwoest (2 Koningen
23:15). Toch werd daardoor de cultus niet uitgeroeid. Het heiligdom
in Dan bleef bestaan. Vermoedelijk werd dat pas tijdens de veldtocht
van koning Nebukadnezar tegen Juda, in 587/586 v. Chr., verwoest.
- De profetie van Amos 9:1 bevat een goddelijk bevel: Vernietig
het heiligdom. De tekst geeft geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen
dat het bevel meerdere heiligdommen zou omvatten. Echter, de zin
van dat bevel vervalt, indien alleen maar één heiligdom
zou worden opgeruimd. Blijft als logische conclusie over, dat de
verwoesting van de tempel in Jeruzalem bedoeld wordt.
- Het is ondenkbaar
dat God de afgodische tempel in Dan of Bethel zou binnengaan, zoals
uit vers 1a blijkt. Hij duldt geen afgodsbeelden
in Zijn nabijheid.
- En, als laatste argument: In Ezechiël
9 en 10 wordt beschreven hoe de Sjechina Gods de tempel in Jeruzalem
verliet. Deze vertrok
vanuit het heilige der heiligen, en ging via de ingang van het heilige
naar buiten en steeg toen omhoog (Ezechiël 9:3 en 10:18). Daar
stond het brandofferaltaar! Waarschijnlijk spreekt Amos over dezelfde
gebeurtenis. Dat verklaart dan tevens, waarom de Hebreeuwse grondtekst
van boven het altaar spreekt (Amos 9:1a).
Conclusie:
Het altaar, waar Amos over spreekt, stond in de tempel te Jeruzalem.
Bronnen:
(Andersen & Freedman, pagina 834-835 / Birch, pagina 250 / *
Cripps, pagina 255 / Excurs 8 / * Gowon, pagina 421 / Harper, pagina
188 / * Jeremias, pagina 156-158 en 160 / Keil & Delitzsch, pagina
320 en 321 / McComiskey, pagina 479 / Ogilvie, pagina 353 / Paul,
pagina 274 / * Simundson, pagina 231 / Smith, pagina 35 / Targoem
Jonathan, Amos 9:1 / Talmoed: Rosh Hashanah 31a / Rosenberg, pagina
164 c: Rashi)
Voorwoord bij Amos 9:2-3
In deze verzen maakt God aan het volk Israël en Juda duidelijk,
dat niemand aan het komende oordeel zal kunnen ontkomen. Waar ze
ook heen zullen vluchten, God zal hen weten te vinden. Amos gebruikt
dichterlijke taal die een sterke beeldvorming opwekt, die aansluit
op de denkwereld van die tijd, om dat duidelijk te maken. Geen plek
in het universum is veilig voor de woede van Gods rechtvaardige toorn.
De intensiteit van de uitspraken in Amos 9:2 en 3 doet vermoeden,
dat de Almachtige een bepaalde groep zondaren op het oog heeft. Dat
hier niet het gehele volk Israël in beeld is (zoals al in vers
1 is gesteld). Spreekt God hier over de gruwelijke en godslasterlijke
zonden die in zijn tempel werden bedreven? (Ezechiël 8:9-18).
Of, heeft de profetie de valse priesters in de heiligdommen te Dan
en Bethel op het oog? Of – als derde mogelijkheid – :
bedoeld Hij wellicht beide? Amos spreekt er zich niet over uit.
Vers 2
Al drongen zij Sheol binnen; van daaruit zal mijn hand hen grijpen.
Al klommen zij
op naar de hemelen; van daar zal Ik hen neerhalen.
Natuurlijk kan niemand Sheol (dat is: het dodenrijk) binnengaan en
het daarna weer verlaten. Dat wordt ook niet bedoeld. Amos gebruikt
een kleurrijke manier van uitdrukken die duidelijk maakt dat niemand
mag hopen aan het oordeel te ontkomen. Let wel, Amos spreekt over Israël in beperkende zin. Over de
slachtoffers van de
verwoesting van de tempel en/of Jeruzalem. Niet over het gehele volk Israël.
Vers 3a
Ook al zouden zij zich verbergen op de top van de Karmel; Ik zal
ze daar opsporen en
hen doden.
De Karmel is een bergrug, die in het noordwesten van Kanaän
ligt. Het gebied stond bekend om zijn vele grotten (meer dan 2000
stuks; Driver). In kwade tijden werden die als schuilplaats gebruikt.
Er bestaan, ook nu nog, uitgebreide grottenstelsels, die men zonder
gids niet kan betreden. Het was dus een ideaal gebied om zich te
verschuilen, mits men de grotten kende.
(Driver, pagina 222 / Feinberg, pagina 120) Vers 3b
En al verschuilen zij zich voor mijn ogen op de bodem van de zee;
Ik zal daar de
slang bevelen, dat hij hen bijten zal.
In het wereldbeeld van toen stond de diepzee voor de plaats waar
de fundamenten van de aarde lagen (Jona 2:3-6). De slang * verpersoonlijkt
de duistere, onzichtbare machten van de aarde (Job 41), die – zo
dacht men toen – op de bodem van de zee huisden. Amos sluit
in zijn beeldende taal dus nauw aan op de denkwereld van toen.
* Ook wel omschreven als Leviathan of Rahab (Job 26:12-13; Psalm 74:13-14 en
89:9-10; Jesaja 27:1 en 51:9-10
(Driver, pagina 222 / Paul, pagina 278-279 / Wolff, pagina 341)
Vers 4a
Als zij dan in ballingschap gevoerd zijn voor de ogen van hun vijanden,
De stelling, dat voorgaande verzen niet de dood van de gehele bevolking
profeteren, wordt hier bevestigd. Want, indien het Goddelijke bevel
om een ieder te doden, tot het gehele volk was gericht geweest, dan
was er niemand meer overgebleven. Dan hadden er ook geen ballingen
meer weggevoerd kunnen worden.
Het zal duidelijk zijn dat, ook hier, de profetie een tweeledige
vervulling kent. Eerst in de wegvoering in ballingschap van het Tienstammenrijk,
Israël, door de Assyriërs. Daarna, meer dan een eeuw later,
de Babylonische ballingschap van Juda. De laatste
betref niet overigens één wegvoering, maar meerdere.
(Excurs 2 / Excurs 12) Vers 4b
zal Ik van dat moment af aan het zwaard bevelen, opdat die hen zal
doden. Dan zal Ik mijn oog op hen vestigen: ten kwade, niet ten
goede.
Vers 4 is de vervulling van de ‘vloek van Mozes’. In
Amos 5:1, Exegese, gaan we daar diep op in. We citeren twee verzen:
Deuteronomium 28:26 en 65
Uw lijken zullen tot voedsel dienen voor al het gevogelte des
hemels en het gedierte der aarde, zonder dat iemand die opschrikt.
Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats
voor uw
voetzool; de HERE zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee
en een kwijnende ziel.
Ook Micha 6:16 (grondtekst) spreekt over een goddelijke invloed ‘ten
kwade’:
Want hij houdt de inzettingen van Omri en alle
praktijken van Achabs huis en u
zult zich op die levenswijze richten. Daarom zal Ik Mij toewijden
aan uw ondergang en haar inwoners zullen tot bespotting zijn
Het oog van Jahweh werd, inderdaad, ten
kwade op het volk Israël
en Juda gericht. Dat
betreft niet de periode van het oordeel over Israël/Juda. Amos
spreekt over de eeuwen daarna. De bescherming die Gods volk genoot
is dan niet meer. Integendeel, het zwaard wordt opgeroepen om hen
te doden. Dat heeft iets van ‘vogelvrij verklaren’. De
geschiedenis – tot op de huidige dag – doet daar ondubbelzinnig
getuigenis van.
Introductie bij ver 5 en 6
In deze perikoop wordt de Almacht van Jahweh bezongen. We noemen
dat een doxologie, of lofprijzing. Dat gebeurt in kosmische termen
die zijn soevereiniteit over het gehele universum bevestigen. Deze
verzen vormen tevens een soort ‘handtekening van God’ onder
het bevel van de uitvoering van het oordeel over Israël en Juda.
Het lijkt er sterk op, dat niet alleen de almacht van God wordt
bezongen. Want de tekst doet ons toch ook denken aan de oordelen
van de Eindtijd,
zoals die in de Openbaring van Johannes worden beschreven. Dat betreft
de Dag van Jahweh; dus de dag van het oordeel over de volken. Wellicht
is daarom deze doxologie tevens een echo van de oordelen die in de
Eindtijd zullen vallen.
(Smith, pagina 363 / Walvoort & Zuck, pagina 1449-1450)
Vers 5
Ja, de Heer, Jahweh der heerscharen, beroert de aarde en zij smelt.
En een ieder die in haar woont zal rouwen. Dan zal zij in haar geheel
oprijzen, gelijk de waterlopen van de Nijl en weer verzinken; als
de rivier van Egypte.
Vers 6
Hij die zijn hoge woning in de hemelen bouwt en wat door hem samengebundeld
is op de aarde grondvest; Die de wateren van de zee oproept en hen
uitstort over het aangezicht van het land: Jahweh is zijn Naam.
Een soortgelijke tekst vinden we ook in Micha 1:3-6 (grondtekst):
- Voorwaar ik zeg u: Ziet! de HERE trekt op uit zijn woonplaats.
Ja, Hij zal nederdalen en de hoogten der aarde vertreden.
- Dan
zullen de bergen onder Hem versmelten en de dalen uiteensplijten,
zoals was voor het vuur; als watermassa’s die neerstorten
op een helling.
- Vanwege de opstandigheid van Jakob zal dit alles
gebeuren en vanwege de zonden van het huis Israëls. Welke
is De opstandigheid van Jakob? Is dat niet Samaria? En wat aangaande
De hoogten van
Juda? Is dat niet Jeruzalem?
- Daarom zal Ik bewerken, dat Samaria
tot een berg steengruis zal worden, tot een oord waar wijngaarden
geplant worden. En Ik zal
haar stenen in het dal
storten en haar funderingen bloot leggen.
Hoewel de profeet Micha zijn bediening in het Tweestammenrijk
Juda had, vertonen beide profetieën opmerkelijke overeenkomsten. Het bevestigt eens te meer
dat ook deze oordeelsprofetie het gehele volk Israël betreft.
Amos spreekt van een beroeren van de aarde door Jahweh. Dat is ten oordeel,
want zij
smelt. Dat oordeel wordt vergeleken met het opkomen van het water in
de bevloeiings- kanalen van de Nijl. Het oordeel (evenals het water) komt
dus plotseling,
maar het verdwijnt ook weer abrupt. Voor dat laatste gebruikt Amos een beeld
van
de rivier van Egypte. Deze bevatte alleen dan water, als het geregend had
in de woestijn, wat zelden voorkwam. Maar dan stortte het water zich met
bulderend
geweld door de bedding, alles meesleurend dat op z’n weg was; om korte
tijd later weer in het droge woestijnzand te verzinken.
Vers 7a
Bent u voor Mij niet als het volk van de Cushieten, o kinderen
van Israël? – spreekt Jahweh –. Bracht Ik Israël
niet op uit Egypte, de Filistijnen uit Kaftor en de Arameeërs
uit Kir?
De betekenis van vers 7 is niet met enige zekerheid te geven. We
doen toch een poging. De Cushieten leefden in het zuiden van Egypte, in Nubië (Soedan)
en in Ethiopië. In die tijd betrof dat de buitenste rand van
de beschaving, ver verwijderd van de aanwezigheid- en de kennis van
God (Driver). Waarschijnlijk dienen de Cushieten als voorbeeld voor
de nieuwe status van Israël. Een volk zoals de heidenen, dat
in verre oorden verstrooid onder de volken leeft.
Het tweede deel van vers 7 zou dan een herinnering zijn aan de
almacht van God, die volken doet migreren naar de plaats die Hij
wil; dus
ook Israël weer terug kan roepen naar Kanaän.
(Driver, pagina 224 / Hammershaimb, pagina 134-135 / Ironside, pagina
183 / Walvoort & Zuck, pagina 1450 / Wolff, pagina 347) Vers 7c
de Filistijnen uit Kaftor en de Arameeërs uit Kir?
De traditie ziet in Kaftor het eiland Kreta. De betekenis en/of oorsprong
van Kir is onbekend.
(Coggins, pagina 154 / e.a.)
Introductie bij ver 8-10
In vers 8-10 verplaatst de profetie van Amos zich van de nabije toekomst
(het oordeel over Israël en Juda), naar de Eindtijd, als de
heilsbeloften aan Israël tot vervulling zullen komen.
Vers 8a
Ziet!, de ogen van de Soeverein Jahweh zijn dit zondige koninkrijk
gericht. Ik zal het uitdelgen van het aangezicht van de aarde.
Vers 8 is een samenvatting van de profetie van voorgaande hoofdstukken.
Het oordeel
is op handen en Gods volk zal dat moeten ondergaan. De profetie is
gericht op het zondige koninkrijk, dat in vers 8c omschreven wordt
als het huis van Jakob. Het gaat dus over beide rijken, Israël
en Juda. Het gehele koninkrijk zal weggevaagd worden.
Sommigen betrekken deze profetie exclusief op het Tienstammenrijk.
Dat is niet
waarschijnlijk, want de verzen ervoor en erna spreken duidelijk over
het gehele volk.
(Guenther, pagina 358 / Hammershaimb, pagina 135 / Harper, pagina
265)
Vers 8b
Toch zal Ik het huis van Jakob niet geheel en al vernietigen; zo
spreekt Jahweh.
Vers 1 sprak over de verwoesting van de tempel en (wellicht) over
het doden van de
inwoners van Jeruzalem. Vers 8a spreekt over de verdelging van het
koninkrijk. Israël en Juda zullen dus zwaar geteisterd worden,
maar niet geheel en al ondergaan. Er is een deel van het volk dat
de komende oordelen overleeft
(Hammershaimb, pagina 135 / Motyer, pagina 198)
Vers 9
Want ziet, Ik ga een bevel uitvaardigen! Dan zal Ik het huis
van Israël uitschudden onder alle heidenvolken. Aldus zal het
geschud worden in de massa. Wat echter bewaard wordt, zal niet ter
aarde
vallen.
Dat overlevende deel (van zowel Israël als Juda) gaat in ballingschap.
Amos omschrijft dat op een buitengewoon intrigerende wijze. Want
als we de tekst letterlijk nemen, dan zullen zowel de tien stammen
(Israël), als de twee stammen (Juda), willekeurig worden uitgeschut
in de massa, dus verstrooid worden onder de vele heidenvolken. Maar,
zo zegt de profetie: Wat echter bewaard wordt, zal niet ter aarde
vallen. Dat is een beperking. De profeet beschrijft alzo twee verschillende
volksdelen:
- Eén deel valt willekeurig tussen de volken en
verdwijnt zo uit ons zicht. Dat betreft de tien stammen van Israël.
- Echter,
Juda treft een ander lot. Een belangrijk deel van dat volk ging
in ballingschap naar Babel en (dat is het grote verschil)
kon daar haar identiteit handhaven. Zij worden aldus door God bewaard,
wat bevestigd wordt door de geschiedenis. Want God zendt profeten
met hen mee – Daniël en Ezechiël – die hen
verder moeten leiden.
Vers 10
Alle zondaren van mijn volk zullen door het zwaard sterven, zij die
zeggen: geen kwaad zal ons naderen, noch ons overkomen.
Over dit vers kunnen we een duidelijke uitspraak doen. Het ziet niet
op het oordeel over Israël en Juda, zoals dat door de Assyriërs
en Babyloniërs werd uitgevoerd. Het spreekt namelijk van het
doden van alle zondaren van mijn volk. Daar bericht de Heilige Schrift
ons niet over, noch de profane geschiedenis.
De zuivering van Israël
We lezen in Amos 9:10 onvervulde profetie. Amos spreekt namelijk
over de Eindtijd. Want als het Messiaanse rijk gevestigd wordt,
zullen niet alle Israëlieten dat rijk mogen binnengaan. Alleen
zij die zich bekeren, zullen dit heil mogen smaken. Zacharia 13:7
en 8 (Grondtekst):
- En het zal geschieden, zo spreekt de HERE, dat in het hele land
twee delen van haar inwoners zullen worden neergeslagen en zij
zullen sterven. Maar het
derde zal in haar worden over gelaten.
- Dan zal Ik het derde (deel) in
het vuur brengen en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt
en hen louteren, zoals men goud loutert.
Zij zullen op mijn naam roepen. Ik?... Ik zal hen verhoren en
zeggen: Mijn volk. Zij?... Zij zullen zeggen: De HERE, mijn God.
Ook Ezechiël 20 spreekt er over in vers 34-38 (Grondtekst):
- Dan zal Ik u uit de volken voeren en u vergaderen uit de landen
waar u onder hen verstrooid werd; met een machtige hand en een
uitgestrekte arm, maar
ook met wraak die uitgestort zal worden.
- Dan zal Ik u in de woestijn der volken voeren en Ik zal daar
over u rechtspreken, van aangezicht tot aangezicht.
- Zoals Ik
rechtsprak over uw vaderen in de woestijn van het land van Egypte,
zo zal Ik rechtspreken over u; spreekt de Soeverein
Jahweh.
- Dan zal Ik u onder mijn roede doen doorgaan en u binnen
de band van mijn verbond brengen.
- En Ik zal u zuiveren van hen
die tegen Mij opstonden en rebelleerden. Ik zal hen uit het land
leiden, waar zij woonden. Toch zal geen van dezen
het
land van Israël binnengaan. Dan zult u weten dat Ik Jahweh ben.
(Weerd, De Profeet Ezechiël, deel 1, pagina 530-536)
De zuivering van het volk Israël is een bindende
voorwaarde, die gebaseerd is op de rechtvaardigheid van God; zoals
Jesaja 10:21-23
zegt:
- Een rest zal zich bekeren, de rest van Jakob, tot de sterke
God.
- Want, al ware uw volk, o Israël, als het zand der zee,
een rest daaronder zal zich bekeren; verdelging is vast besloten,
overvloeiende van gerechtigheid.
- Ja, een verdelging die vast besloten
is, voltrekt de Here, de HERE der heerscharen, in het midden
van de ganse aarde.
Overige bronnen:
(Ironside, pagina 183-184)
Vers 11
Op de gestelde dag zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten.
Dan zal Ik zijn scheuren dichten en wat van hem is neergehaald restaureren.
Ja, Ik zal haar opbouwen als in de dagen van weleer.
Pas als Gods volk gezuiverd is van zondaars, kan de gezegende tijd
van het Messiaanse Rijk beginnen. Dan wordt het koningschap van het
huis van David hersteld in de persoon van Jezus Christus, de Messias.
De profeten van het Oude Testament hebben daarover getuigd in niet
mis te verstane bewoordingen:
(Feinberg, pagina 122-124 / Hubbart, pagina 240 / Ogilvie, pagina
361-361)
Jesaja 6:9
Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon
van David en over zijn koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest
met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.
Jesaja 11:10
En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van
Isaï *
zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn
rustplaats zal heerlijk zijn.
* Dat is de vader van David, de grondvester van het Davidisch geslacht,
waarvan de Messias, Jezus Christus, de grootste Zoon is.
Ezechiël 37:24
24 En mijn dienaar David zal koning over hen zijn en die zal een eenhoofdig
herder over hen wezen, voor ieder van hen. Dan zullen zij mijn wetten navolgen
en zich nauwgezet aan mijn inzettingen houden.
25 En zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht gegeven heb, aan
Jakob, waarin uw vaders gewoond hebben. Ja, zij zullen daarin wonen: Zij en
hun kinderen en hun kindskinderen, voor altijd. En David, mijn knecht, zal
voor altijd hun vorst wezen.
Jeremia 23:5-6
5 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David
een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren
en verstandig
handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land.
6 In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit
is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de HERE onze gerechtigheid.
Jeremia 33:15-17
15 In die dagen en te dien tijde zal Ik aan David een Spruit der gerechtigheid
doen ontspruiten, die naar recht en gerechtigheid in het land zal handelen.
16 In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem veilig wonen, en zó zal
men het noemen: De HERE onze gerechtigheid.
17 Want zo zegt de HERE: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op
de troon van het huis Israëls gezeten is;
Vers 12a
Opdat zij het restant van Edom in bezit mogen nemen
Dit is een wonderlijke profetie. Het volk van Edom – ook wel
Idumeeërs genoemd – bestaat namelijk niet meer, maar is
opgenomen in het Joodse volk. Dat gebeurde in de dagen van Johannes
Hyrkanus (eind 2e eeuw voor Christus).
(Encyclopaedia Judaica, Volume 6, Pagina 378. Jeruzalem, Israël)
We vinden de profetie van Amos 9:11 en 12 terug in Handelingen 15:16-17
en die tekst dient tevens als nadere uitleg voor Amos 9:12. Daar
zegt Jakobus:
- Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder
opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en
Ik zal haar weder oprichten,
- opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle
heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here,
die deze dingen doet,
Volgens Jakobus worden onder de naam Edom alle heidenen (dat
zijn de niet-Joden) gerangschikt. Jakobus spreekt onder
invloed van
de Heilige
Geest, dus dienen
we deze uitspraak te eerbiedigen. De uitdrukking restant van
Edom
krijgt zo de zelfde lading als ‘het restant (of overblijfsel)
uit Jakob/Israël.
Dat is een gelovig overblijfsel. In die context staat Edom voor de
Gode vijandige wereld van de Eindtijd en het restant van Edom voor
de gelovigen uit De Grote
Verdrukking, die
de oordelen
Gods zullen overleven en de komende Messias zullen mogen begroeten.
De profeet Zefanja spreekt daarover in hoofdstuk 3:9
Maar dan zal Ik de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen
de naam des HEREN aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder.
De vijandschap van Edom, in relatie tot Gods volk in de Eindtijd,
wordt bevestigt in Numeri 24:18, waar Bileam de volgende profetie
uitspreekt:
- Ik zie hem, maar niet nu; ik schouw hem, maar niet van
nabij; een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël,
en verbrijzelt Moabs slapen, en verplettert alle zonen van
Set.
- Dan zal Edom een veroverd gebied wezen, en Seïr zal
een veroverd gebied wezen – zijn vijanden.
Ook in Ezechiël 36:5 wordt de naam Edom aan de
heidenvolken gekoppeld.
Daarom, zo spreekt de Soeverein Jahweh: Voorzeker, daarom sprak
Ik in mijn brandende naijver tegen het restant van de heidenvolken
en
tegen geheel Edom. Want zij maakten mijn land tot een bezitting voor
zichzelf - in de vreugde van hun gehele hart, ja met een kwaadwillige
ziel -, opdat de grazige weiden geplunderd konden worden.
We citeren de verklaring uit: De Profeet Ezechiël, deel 2.
De Almachtige herinnert zijn gehoor aan de oordelen die over de omringende
volken werden uitgesproken, zoals we die in Ezechiël 25-32 beschreven
vinden. Die straf werd de heidenvolken niet alleen opgelegd, omdat
zij meegewerkt hadden aan de ondergang van Israël/Juda. Dat
oordeel was verdiend en door God bevolen. Het verwijt is dat ze hun ‘werk’ met
de vreugde van hun gehele hart en met een kwaadwillige
ziel gedaan
hadden. Dat is boosaardig leedvermaak en daarmee werden ze Satans
werktuig.
Edom functioneert hier dus als het archetype van alle vijandige heidenvolken
die zich bezighouden met het nemen van wraak (Ezechiël 25:12)
op Israël. Die profetie is dus van alle tijden, want nooit heeft
Satan Gods volk met rust gelaten. In de Eindtijd zal de ‘geest
van Edom’ in de antichrist zijn meest kwaadaardige vertegenwoordiger
vinden. Bronnen:
(Eichrodt, Ezechiël, pagina 490 / Excurs 14 / Fairbairn, Ezechiël,
pagina 385 / McComiskey, pagina 491 / Smith, pagina 380 / Walvoort & Zuck,
pagina 1451 / Weerd, De Profeet Ezechiël, deel 2, pagina 339-340)
Vers 12b
en al de heidenen over wie mijn Naam is uitgeroepen, zo spreekt Jahweh,
die dit zal doen!
Indien Gods naam over een volk wordt uitgeroepen, dan valt dat volk
onder de protectie en soevereiniteit van God. In dit geval betekent
de tekst, dat de Messias, Jezus Christus, tot Soeverein over de gehele
wereld wordt uitgeroepen. Zo wordt ten tweede male de profetie van
Genesis 12:1-3 bevestigd:
- De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap
en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal;
- Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam
groot maken,
en gij zult tot een zegen zijn.
- Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie
u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten
des aardbodems gezegend worden.
De eerste maal werd de wereld gezegend in de komst van Jezus
Christus, in Bethlehem, die voor onze zonden stierf. De tweede
maal zal de wereld
gezegend
worden in
de finale vervulling van deze profetie aan Abraham. Dat is de vestiging
van het Messiaanse Rijk, met Jezus Christus als koning. Daarover
spreken de profeten
vele malen. We citeren er twee. Jesaja 11:11-12
- En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom
zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk,
die overblijft
in Assur, Egypte,
Patros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der
zee.
- En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen
van Israël
verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier
einden der aarde.
Micha 5:1-3 (Grondtekst):
- En gij Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten
van Juda: Uit u en voor Mij zal Hij voortkomen, die een heerser
zal zijn over Israël
en zijn oorsprongen zijn uit het verre verleden, ten dage van de oudste
tijd.
- Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat de barende
leven schenkt en totdat het restant van zijn broeders zal terugkeren
tot de volken
van Israël.
- En Hij zal bestendig zijn en hoeden in de kracht van
de Here, in de majesteit van de naam des Heren, zijn God. Dan zullen
zij zich vestigen,
want Hij zal
machtig zijn tot aan de einden der aarde.
(Hubbart, pagina 241 / Weerd, De Profeet Micha, pagina 262-266)
Vers 13
Ziet! de dagen komen, zo spreekt Jahweh, dat de maaier de ploeger
zal naderen en de
druiventreder de zaaier. Dan zullen de bergen van jonge wijn druipen
en alle heuvels zullen daarvan overvloeien.
Het tijdperk van het Messiaanse Rijk zal zich, onder andere, kenmerken
door uitbundige vruchtbaarheid. Dan zal men tegelijkertijd kunnen
ploegen en zaaien, want het groeiseizoen zal nooit eindigen. Het
is de vervulling van een oude profetie; Leviticus 26:3-6
- Indien gij in mijn inzettingen wandelt en mijn geboden nauwgezet
in acht neemt,
- dan zal Ik u te rechter tijd uw regens geven,
zodat het land zijn opbrengst geeft
en het geboomte des velds zijn vrucht draagt;
- de dorstijd zal
bij u duren tot de wijnoogst, en de wijnoogst tot de zaaitijd;
gij zult uw brood eten tot verzadiging en
veilig in uw land wonen.
- En Ik zal vrede in het land geven,
zodat gij nederliggen zult, zonder dat iemand u opschrikt;
Ik zal de wilde dieren
uit het land uitroeien,
en het
zwaard zal uw land niet teisteren.
En Joël 3:18
Te dien dage zal het geschieden, dat de bergen van jonge wijn zullen
druipen en de heuvelen van melk zullen vloeien en alle beken van
Juda van water zullen stromen; een bron zal ontspringen uit het
huis des HEREN en zal het dal van Sittim drenken.
(Driver, pagina 229 / Mays, pagina 168 / Ogilvie, pagina 363
/ Walvoort & Zuck,
pagina 1452)
Vers 14
Dan zal Ik de ballingen van mijn volk Israël terugbrengen.
Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en daar in wonen. Ook
zullen
zij wijngaarden planten en de wijn daarvan genieten. Zij zullen tuinen
aanleggen en de vruchten daarvan eten.
In jubelende bewoordingen spreekt Amos over het gezegende Godsrijk
van de Eindtijd; het Messiaanse Rijk. Dat is een onderwerp, waar
de Bijbel bol van staat. Micha 4:1-5 zegt het zo (Grondtekst):
- En het zal geschieden, in de laatste van De Dagen, dan zal
de berg van de tempel des Heren gevestigd zijn als de belangrijkste
der bergen. Ja, hij zal
verheven zijn boven de heuvelen en volkeren zullen tot hem stromen.
- Dan zullen
vele natiën komen en zij zullen zeggen: Komt, laat ons
dan opgaan tot de berg des Heren en tot het huis van de God van Jakob. Dan
zal
Hij ons onderwijzen aangaande zijn wegen, opdat wij mogen wandelen in zijn
paden.
- Voorwaar Ik zeg u: Uit Sion zal de wet uitgaan, ja, het
woord van God uit Jeruzalem. Aldus zal Hij richten tussen vele
volkeren
en geschillen beslechten
tussen de machtigste natiën, tot het uiterste der aarde.
Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen smeden en hun speren tot snoeimessen.
Nooit zal de ene natie meer tegen de andere natie het zwaard opnemen, zij
zullen de oorlog niet meer leren.
- Aldus zal een ieder onder zijn eigen wijnstok
of vijgenboom zitten. Dan zal er niemand meer zijn, die angst aanjaagt,
want de mond van de Here der
heerscharen
heeft gesproken.
- Voorwaar ik zeg u, al wandelt dan elke natie in de naam
van hun goden, wij echter, wij zullen wandelen in de naam van
de Here onze God, voor eeuwig
en
altijd.
(Weerd, De Profeet Micha, pagina 224-230)
Ezechiël 37:21 (Grondtekst)
Zeg vervolgens tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh:
Zie Mij aan, Die de zonen van Israël oppak van tussen
de volken - waarheen zij ook gingen - en Ik zal hen overal
vandaan verzamelen
en hen
terugbrengen naar hun eigen land.
(Stuart, pagina 398-399 / Weerd, De Profeet Ezechiël,
Deel 2, pagina 370)
Vers 15a
Ja, Ik zal hen planten in hun eigen land. Dan zullen zij nooit weer
uit hun eigen land gerukt worden, dat Ik hen gaf, zo spreekt Jahweh,
uw God.
Deze profetie wordt nog eens bevestigd in Ezechiël 37:22 (Grondtekst):
En zal Ik hen tot één volk maken op de bergen van Israël.
Dan zal het geschieden dat een enkelvoudig koning over ieder van
hen koning zal zijn. Nooit zal het geschieden dat zij nogmaals
tot twee volken zullen zijn en nooit meer zullen zij verdeeld
worden
in twee koninkrijken. Nooit weer.
Vers 15b
dat Ik hen gaf
De profetie spreekt niet over een land dat gegeven zal worden, maar
dat lang geleden gegeven is. Het woord nâthan (gaf) heeft ten
diepste de betekenis bestemmen voor. Daarin herinnert Amos ons aan
de belofte aan Abraham gegeven; Genesis 17:7 en 8:
Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht
in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht
tot
een God te zijn. Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin
gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanaän, tot
een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God
zijn.
Vers 15c
zo spreekt Jahweh, uw God.
De profetie sluit met een opmerkelijke uitspraak. Jahweh wordt uw (= Israëls) God genoemd. Had het oordeel over Israël geen
einde gemaakt aan de speciale positie van Israël? Zo waren ze
immers niet mijn volk geworden, Lo-ammi, Hosea 1:9 Grondtekst:
Hij dan zei: Noem hem Lo-Ammi (niet mijn volk)!
Want gij zijt mijn volk niet.
Met deze profetie verbrak God het verbond met Israël. Dat
was een verschrikkelijk moment in de heilsgeschiedenis. Amos 6:15
is
de tweede vervulling van een oude profetie, die het begin van het
Sinaïtisch verbond markeerde, Exodus 6:6-7
- Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God
zijn, opdat gij weet, dat Ik, de HERE, uw God, het ben, die u
onder de
dwangarbeid der Egyptenaren
uitleidt.
- En Ik zal u brengen naar het land, waarvan Ik gezworen heb
het aan Abraham, Isaak en Jakob te zullen geven, en Ik zal het
u
geven tot een bezitting,
Ik, de HERE.
Amos profeteert dus dat in het eind der tijden Israël
weer Gods volk zal worden. Hosea spreekt daarover in hoofdstuk
1:10
(Grondtekst):
Nochtans zal het getal van de kinderen Israëls als
het zand der zee zijn, dat niet kan worden afgemeten, noch
kan worden
geteld. Ook zal het
geschieden
dat ter plaatse waar tot hen gezegd werd: U bent niet mijn volk,
hen de naam gegeven zal worden: Kinderen van de levende God!
(Ironside, pagina 184-185 / Motyer, pagina 198-199)
|